Paramaribo

Klik op >> Historische Database Suriname
De eerste Javanen arriveerden op 9 augustus 1890 in Paramaribo. De proef werd succesvol geacht en vanaf 1894 nam de koloniale overheid de werving van Javanen zelf ter hand. Zij werden in kleine groepen vanuit Indonesië naar Nederland gebracht, en vandaar groepsgewijs naar Paramaribo. Het vervoer van de Javaanse immigranten verliep tot 1914 in twee etappes via Amsterdam.
Zij kwamen uit de dorpen Midden- en Oost java. De vertrekplaatsen op Java waren Batavia, Semarang en Tandjong Priok. De geworven arbeiders en hun eventuele gezinsleden wachten daar hun vertrek af in een depot, waar zij werden geregistreerd en gekeurd en waar zij ook hun contract ondertekenden.
CONTRACTARBEIDERS
De immigranten werden geworven voor werk op de plantages. Uitzondering hierop vormde een groep in 1904; toen zijn 77 Javanen speciaal voor arbeid aan de Koloniale Spoorwegen geworven. Vanaf de Eerste Wereldoorlog werkten ook Javanen bij de Surinaamse Bauxietmaatschappijen. De immigratie ging door tot 13 december 1939. Na 1930 ging het om zogenaamde vrije immigranten. Het uitbreken van de tweede Wereldoorlog verhinderde de uitvoering van een groot opgezet plan om hele dessa's vanuit Java naar Suriname over te planten.
Aantal
In totaal kwamen 32.965 Javaanse immigranten naar Suriname. Van alle immmigranten keerden tot 1954 26% (8684 personen) terug naar Indonesië. Zo'n 24.000 Javaanse immigranten bleven in Suriname. Bij de volkstelling van 1972 werden in Suriname 57.688 Javanen geteld en in 2004 waren dat er 71.879. Daarnaast werden in 2004 ruim 60.000 inwoners van gemengde afkomst genoteerd, ook van hen in een onbekend aantal van (deels) Javaanse afkomst.
Sumatra

In 1953 ging een grote groep terug naar Indonesië met het schip Langkuas van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd, onder leiding van Salikin Hardjo. Het ging om zo'n 300 families (ongeveer 1200 personen) Zij wilden zich vestigen op Java of in Lampung, maar hun verzoek werd niet ingewilligd door de toenmalige Indonesische regering. In plaats daarvan werden zij naar West Sumatra gestuurd. Daar stichten zij het dorp Tangas in Kabupaten Pasaman, ten noorden van de stad Padang. Zij ontginden nieuw land en bouwden huizen. Zij integreerden vlot met de Minangkabau-gemeenschap, ondanks het feit dat de meesten van hen christelijk waren. Huwelijken met de Mimangkabau, die overwegend moslim waren, waren gebruikelijk en overledenen werden begraven op de Islamitische begraafplaats. De huidige generatie voelt zich meer Indonesisch dan Surinaams, maar onderhoudt nog contacten met familie en vrienden in Suriname en Nederland en reist er soms naartoe.
Nederland

In de jaren zeventig kwamen 20 - 25.000 Surinaamse Javanen naar Nederland. Zij vestigden zich vooral in en rond de steden als Groningen, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Zoetermeer. Zij zijn goed geïntegreerd in de Nederlandse samenleving maar zorgen ervoor, hun Javaanse identiteit te behouden, o.a. via verenigingen die regelmatig bijeenkomsten organiseren. De meesten van hen hebben familieleden in Suriname, die zij pakjes en geld sturen. Velen gaan regelmatig naar Surname.
In de provincie Groningen wonen de meeste Javanen in de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Ook in de gemeente Delfzijl zijn de javanen goed vertegenwoordigd.
GODSDIENST
Van alle in Suriname woonachtige Javanen hangt meer dan 7 % het christendom aan. De rest is islamiet. Althans in naam. In feite kan gezegd worden dat de islam bij de Javanen stoelt op een stevig fundament van pre-islamitische geloofsvoorstellingen. Dat geldt zeker voor de grote meerderheid van de Javanen die als abangan wordt aangeduid. Uit religieus oogpunt bezien zijn de abangan de “meelopers”, die maar weinig interesse tonen voor de islamitische regels en de toepassing ervan overlaten aan de santri’s . Deze santri’s zijn meestal oudere mensen die belangstelling van de abangan uit naar typisch Javaans gebeurtenissen op godsdienstig gebied, zoals met name de slametans.
Slametans zijn heilsmaaltijden, opgediend ter ere van de geestenwereld bij belangrijke gebeurtenissen in een Javaans gezin als geboorte, besnijdenis, huwelijk en de dood. Zeer frequent worden er in de Javaanse gemeenschappen in Suriname slametans gegeven, waarbij de frequentie in de plattelands gemeenschapen aanzienlijk hoger ligt dan in de verstedelijk centra. Een ander gebruik dat zeker uit de pre-islamitische tijd op Java afkomstig is, is het plaatsen van sadjen, offers aan de geestenwereld. Bij alle belangrijke gebeurtenissen in het leven van de Surinamers plaatst men sadjen. Soms trekt men hier een specialist voor aan: de ka’um. In Suriname is een groepering naar voren gekomen onder de naam Sahabatul Islam. Geïnspireerd door de ideeën van de Indonesische Muhammedijah-beweging, willen haar aanhangers de islam zuiveren. De Sahabatul Islam verzet zich vooral tegen de slametans.
Historie van de Surinaamse Javanen in Nederland in historisch perspectief.
Net voor en na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 is met de grote emigratie van Surinamers naar Nederland ook veel Javanen in Nederland gekomen.
De culturele vorming van de Surinaamse Javanen is opgebouwd uit elementen van de oude Javaanse cultuur afkomstig van de immigranten uit Java en cultuurelementen van andere bevolkingsgroepen van Suriname.
De Surinaams-Javaanse cultuur heeft zijn oorsprong in Java. In het vroegere Java hebben de Javanen een eeuwenoude cultuur gebaseerd op o.a. Boeddhistische, Hindoeïstische en animistische principes. Door de eeuwen heen heeft die cultuur zijn specifieke normen, gewoonten en tradities (adat) gevormd. Het omvat veel ongeschreven regels (cultuurprincipes).
De “gotong royong” principe
Dit is een vorm van sociale solidariteit. Elk individu behoort tot een bepaalde groep. Zo’n gemeenschap kan een dorp, een buurtgemeenschap, een familieverband of een gezin zijn. Er bestaat een sterke groepsbinding en sociale controle. Een lid kan altijd op de groep beroepen. Er bestaat duidelijke ongeschreven regels, plichten en rechten Het groepsbelang gaat boven het individuele belang. Men heeft de plicht de ander te helpen zonder enige vergoeding te verwachten. Activiteiten worden na gezamenlijk beraad door de groep geïnitieerd en uitgevoerd. Zo worden culturele manifestaties georganiseerd zoals collectieve burenhulp, collectieve huizenbouw, collectieve dorpschoonmaak en collectieve armenhulp (pujungan).
Zoals bij andere volksstammen is de Javaan opgevoed met de bewustwording over het bestaan van bovennatuurlijke machten. Het Javaanse geloof is een mengeling van invloeden uit het hindoeïsme (wajang), boeddhisme (reïncarnatie), islam en animisme.
De eerder genoemde aspecten van de Javaanse cultuur dragen bij tot de culturele vorming van de Surinaamse Javaan. Door de jaren heen zijn ook andere cultuurinvloeden van andere bevolkingsgroepen in Suriname in de Javaanse cultuur openomen.
De oorspronkelijke immigranten
De eerste Javanen uit Java moesten in Suriname zware arbeid verrichten op de plantages, welke zij normaliter niet gewend zijn. Zij hebben geen inspraak bij welke plantages zij terecht willen komen. Hierdoor worden opgebouwde vrienden en relaties tijdens de lange reis weer van elkaar gescheiden. Een man krijgt een vrouw aangewezen door de plantage eigenaar om een barak samen te delen. Zij leven slechts van dag tot dag met steeds het verlangen om naar Java terug te kunnen keren. Velen hebben na jaren de ijdele hoop opgegeven en berusten met het idee dat zij niet meer naar Java terug kunnen keren. Zij beschouwen hun verblijf in Suriname als hun noodlot. Goedschiks en kwaadschiks proberen zij een bestaan op te bouwen.
Innerlijk zijn zij verscheurd door heimwee naar Java en door het harde leven op de plantages. Om uit de sleur te komen wordt er veel gefeest en gegokt. Vele gezinnen zijn hierdoor stukgelopen. Echtscheidingen en samenwonen zijn geen uitzonderingen. In dat milieu moet de tweede generatie opgroeien.
De tweede generatie
Deze groep is opgegroeid in een sociaal milieu welke niet is voorbereid tegen de invloeden van de westerse cultuur. De ouders zijn ongeschoold, niet daadkrachtig en onwetend over het belang van educatie. Zij worden vaak op jonge leeftijd ingeschakeld bij het arbeidsproces om te kunnen bijdragen aan het gezinsinkomen. Alhoewel in die tijd de leerplicht in Suriname bestaat, wordt deze door sociale omstandigheden niet na gehouden.
Een kleine groep is in een vroeg stadium in aanraking gekomen met zending- en kerkgenootschappen. In tehuizen en internaten krijgen zij een goede opvoeding en scholing. Ook uit gezinnen waar de ouders heel vroeg bewust zijn van het belang van educatie krijgen de kinderen goede scholing. Uit deze kleine groep zijn er vooraanstaande Javaanse Surinamers voortgekomen.
De derde generatie
Deze groep is opgegroeid in een betere sociale leefmilieu. Zij gaan op jonge leeftijd naar school. Begeleiding en stimulering van educatie zijn afhankelijk van de instelling van de ouders. Degenen die ouders hebben welke in vroeg stadium in contact zijn gekomen met zending- en kerkorganisatie hebben een voorsprong voor wat betreft visie over belang van educatie. De Javanen wonen meestal in de districten. Voor verdere onderwijs moeten zij naar Paramaribo naar school. Dit betekent het ouderlijke huis verlaten en in internaten vertoeven. Voor velen weer een extra inspanning om aan te passen aan de nieuwe situatie.
Uit deze groep zijn velen na 1975 gemigreerd naar Nederland. Velen koesteren de hoop op een betere toekomst in Nederland. Onder hen bevinden enkelen die voornemens hebben om een hoger onderwijs te volgen.
Het is gebleken dat slechts weinigen hun studie hebben afgemaakt. Vele factoren hebben een rol gespeeld voor dit falen. Zoals bekend bij andere sociale groepen die geplaagd worden met ontheemd gevoel en aanpassingsproblemen en heeft deze groep het ook moeten ondervinden.
De westerse maatschappij vraagt maximale inzet om bepaalde doelen te bereiken. Hier herhaalt de aanpassingsmoeilijkheden voor de Javanen uit Suriname weer. Zij moeten nogmaals hun geboorteland verlaten met een hoop op betere toekomst. Velen moeten het ondervinden met heimwee en onmachtgevoelens. Door de slechte situatie in Suriname kunnen en willen zij niet meer terugkeren. Nogmaals moet een generatie een moeilijke keuze maken. In maatschappelijk opzicht hebben de Javanen in Nederland beter dan de groep in Suriname.
De relatie van cultuur en educatieve vorming van de Surinaamse Javaan
De invloed van de Javaanse cultuur op de educatieve vorming van de derde generatie is goed merkbaar. Om als individu een goede positie in de maatschappij te verwerven moet hij telkens weer laveren tussen zijn eigen Javaanse cultuur en de invloeden van de Surinaamse cultuur en de westerse cultuur. Het is niet verwonderlijk dat hij veel inspanning moet getroosten om dit alles in goede banen te leiden.
Telkens weer moet hij aanpassen aan het verschillende type cultuur waarin hij zich bevindt. Telkens moet hij keuzes maken, welke soms verwarrend kan zijn. Om met dit alles rekening te houden is het een moeilijke opgave. Men zal soms minder populaire keuzes maken tegenover zijn eigen groep om zijn doel te kunnen bereiken. Men is reeds geholpen als men voor zich zelf zijn positie in de maatschappij kan maken.
Bij het zoeken naar synthese tussen de Javaanse en de westerse cultuur zal men telkens moeten kiezen om slechts de goede facetten van de beide culturen over te nemen. In de westerse samenleving is de ontplooiing van het individu van essentieel belang. Slecht door goede educatie kan men zich weerbaar maken. Men moet een bepaalde mentaliteit eigen maken. Dit zal gepaard gaan met het loslaten van bepaalde oude gewoonten en gebruiken.
In plaats van groepsgericht zijn zal men zich meer moeten toeleggen op de eigen ontwikkeling en ontplooiing. Soms is kiezen alleen nodig ten tijde dat men een bepaald doel nastreeft. Het vraagt veel inspanning om te ontplooien in deze maatschappij. Soms met weinig resultaat ondanks veel opoffering.
Wajang
Wajang poppen 
Wajang heeft een diepe gewortelde cultuur. Wajangpoppen zijn prachtige uitingen van Javaanse kunst. Het zijn geen afbeeldingen van mensen. Het zijn schaduwpoppen die de mens zo goed als mogelijk moeten laten uitkomen in het platte vlak. Daarom zijn de poppen ook van opzij weergegeven met langgerekte, gestileerde ledematen en lichaam en met stereotiepe kenmerken voor oog, neus, mond, vingers en voeten. De kleuren van de wajangpoppen zijn van heldere kleuren, die het goud, zwart of lichtrode lichaam duidelijk doen uitkomen.
Tot in het kleinste detail zijn de lichamen uitgebeiteld. Ter versteviging heeft de pop een ruggengraat van buffelhoorn die naar beneden loopt en in een handvat eindigt. Dit handvat wordt in een bananenstam gestoken. De dunnen armen kunnen verder afzonderlijk draaien bij de schouder en elleboog met behulp van een lang stokje van buffelhoorn. Hetgeen wat de wajangpop waardevol maakt is de uitbeelding van het karakter, hun Wanda. De Wanda geeft elke wajangpop apart een unieke persoonlijkheid.
Wajang kulit
Wajang kulit is een schimmenspel van de wajangpoppen. Hun schaduw wordt tegen een verlicht scherm geworpen. Het licht wordt door een blèncong verlicht. Heel vroeger was dit een koperen olielamp, in de vorm van een garuda. De wajang kulit gaat terug op een verleden, waarbij de schimmen van de voorouders door een priester weer tot leven worden gebracht.
Oorspronkelijk werd de wayangvoorstelling alleen bij gelegenheden opgevoerd als besnijdenis, oogstfeest, huwelijk, slagingsexamen of een bezwering tegen een epidemie. Dit werd gedaan vanwege de zuiverende en kwaadwerende werking. Tegenwoordig is de religieuze betekenis van de wajang op de achtergrond geraakt. De wajang die zijn uitvoering aan de heldendichten dient, wordt wajang purwa genoemd (oude wajang). Deze traditionele uitvoering vindt altijd ’s avonds plaats. Het schouwspel is opgedeeld in tientallen afgeronde episodes. Deze worden lakon genoemd. Ieder lakon is een op zichzelf staand verhaal. Per avond wordt een lakon ten toongesteld. Achter de dalang staat het orkest, de gamelan. Gamelan heeft een belangrijke functie bij de wajangtentoonstelling.
Wajang kulit komt zowel voor op Java als Bali. Op Bali onderscheidt men de perwa en wajang rama. De poppenvorm staat hier nog dicht bij die van de oudjavaanse tempelreliëfs. Op Java kent men de wajang kelitik. Hierbij wordt gebruik gemaakt van platte houten poppen. Bij de kelitik komt geen scherm te pas. De uitgebeelde verhalen tijdens de wajang kelitik zijn Javaanse verhalen die zich afspelen.
Wajang golek
De wajang golek is het spel met de rondhouten stokpoppen. Naast dat deze ook in Midden- en Oost-Java voorkomt, is het meer de wajangvorm van de Sudanezen in West-Java. Dit spel wordt ook zonder scherm gespeeld, zowel overdag als ’s nachts. Mogelijk de oudste wajangvorm, is de wajang bèbèr. De scènes zijn bij de bèbèr op rol geprepareerd papier geschilderd. Tijdens de tentoonstelling rolt de dalang scène voor scène af en vertelt daarbij het verhaal. èng beelden gemaskerde acteurs de wajangfiguren uit. Deze vorm komt vrijwel overal voor als volksspel, de kratons en op het toneel. Uit deze wajangvorm is de wajang wong, ofwel wajang orang, ontstaan. Hierbij beelden menselijke figuren de wajangfiguren uit. Deze vorm is in de vorige eeuw als een hofkunst begonnen en werd populair buiten de kratons.
Eerst was er Bodo, nu hebben wij Ied-ul-Fitr
De verdwijning van een alleraardigst Javaans cultuurelement uit onze samenleving
De meeste Surinamers kennen het einde van de Islamitische vastentijd als Bodo(spreek uit als ‘Bodò' met een korte ‘o'-klank en niet als ‘Bodoo'). Het leuke Javaanse feest met een feestmaaltijd (eigenlijk is het een heilsmaaltijd) voor een ieder, dus ook voor de niet-moslims. Sinds 1970 (VHP/PNP-regering) is de Ied-ul- Fitr-dag een officiële dag. Waarom heeft men in 1970 gekozen voor de naam Ied- ul-Fitr en niet voor Bodo?
De achtergrond van Bodo
In de meest gangbare boeken over onze cultuurgeschiedenis komen enkele termen voor over de Javaanse cultuurgroep in Suriname, die wij niet goed hebben begrepen of niet goed hebben willen begrijpen. Deze nonchalance naar andere cultuurgroepen toe ontstaat meestal wanneer die bewuste groep niet aan de macht is. Bij de Javaanse cultuurgroep komt er nog een moeilijkheid bij. Cultuur en religie zijn daar door elkaar verstrengeld. Deze verstrengeling heeft te maken met de periode voor de islamisering van Java en men noemt die tijd de pre-Islamperiode. De Javaan werd moslim, maar de oude zeden en gewoonten van Java bleven voortleven. Die oude cultuur namen de eerste contractarbeiders uit Java vanaf 1890 ook mee naar Suriname. Vergelijken wij de Javaanse moslim met bijvoorbeeld de Hindostaanse moslim, dan zien wij bij veel van de Hindostaanse moslims een geforceerde ontkenning dat zij ook uit India afkomstig zijn. Zij erkennen wel de schoonheid van de islamitische Taj Mahal te Agra in India, maar voor al het andere doen ze voorkomen alsof zij uit Pakistan afkomstig zijn. Dus praten zij geen Arabisch maar Urdu en natuurlijk nooit het Hindi. De Javaanse moslim kent deze ambivalentie niet. Cultureel bezien is hij eerst een Javaan en dan pas een religieuze. Tot die conclusie komen ook alle algemene Surinaamse handboeken. In die boeken worden de Javanen ook geprezen voor hun netheid en hun rust; ze zijn geen herrieschoppers. Volgens medici hebben ze ook weinig last van een hoge bloeddruk. In het arbeidsveld is het opvallend hoe dominant de Javanen zijn op het gebied van de autospuiterij en op het gebied van de grafische industrie. Het fijne rustige werk, ligt ze goed.
In cultureel opzicht kan men spreken van de Javaanse cultuur en van Javanisme. In het eerste geval gaat het om het geheel van de cultuurgebruiken van alle mensen die gerelateerd zijn aan het eiland Java en in het tweede geval betreft het mensen die de zeden en gewoonten van Java in stand houden. Deze mensen, meestal ouderen, leven nog volgens de tradities van Java. Ze werden ‘abangan' genoemd en zij houden de zeden en gewoonten in stand, die door de vroegere contractarbeiders ooit zijn meegenomen. Deze laatste categorie kent Bodo als het einde van de ramadan en zij kennen ook cultuuraspecten als adat (= cultuurgewoonte), rukun (=zin voor harmonie en duldzaamheid) en slametan (=heilsmaaltijd; populair genoemd door niet-Javanen: feestmaaltijd). Binnen de islamitische Javaanse cultuurgroep, kan men dus twee richtingen onderscheiden: de moslims en de Javanisten. De Javaanse moslims houden zich vast aan de regels van de islam terwijl de Javanisten, die ook moslims zijn, zich vasthouden aan de zeden en gewoonten van hun voorouders, het Javanisme. Na de Tweede Wereldoorlog kwam een groepering naar voren onder de naam Sahabatul islam. Deze beweging had moeite met het Javanisme en ook met de slametans. Vooral op Bodo waren de maaltijden van de slametan zeer verfijnd en ook duur zoals saté en goelèhsoep. De specialiteit van de Hindostaanse moslims is op ied-ul-Fitre een lekkernij gemaakt van vermicelli, melk, suiker, kaneel en rozijnen, die ze sewainoemen. De nieuwe moslimbeweging onder de Javanen en de invloed van de Hindostaanse moslims hebben gemaakt dat men in 1970, tijdens de regering-Sedney, gekozen heeft voor Ied-ul-Fitr in plaats van voor het meer bekende en allervriendelijkste Bodo. Op die manier is men ook tegemoet gekomen aan de wens van alle moslims in Suriname. Dat er elk jaar weer niet van tevoren gezegd kan worden op welke dag Ied- ul-Fitr precies valt, heeft te maken met de verschillende stromingen binnen de islam. Voor de een is de wetenschappelijke maanstand genoeg en voor de andere moet de maan eerst zichtbaar zijn. Blijft de maan in een bepaald geografisch gebied vanwege de langdurige bewolking niet zichtbaar, dan wordt na een bepaald aantal dagen toch wel aangenomen dat de maan ooit verschenen was. In sommige landen stemt men af met een islamitisch moederland. Onze Javanen kennen naast Bodo ook nog Bodo kupat, een verlenging van de vastenmaand. In Suriname heeft men ook het oriëntatieprobleem gekend bij de bouw van moskeeën. De hoofdas van de moskee moet gericht zijn naar Mekka en toen begon het probleem, van waar uit bekeken? Vanuit Java, India, Pakistan of vanuit Suriname? Hierover schrijft Albert Helman: "...en verrichten wel de gebruikelijke diepe buigingen in de richting van Mekka, met de wenteling van de aardbol mee, of er tegenin (Allah is wijzer).
De grote heilsmaaltijden zoals de slametan bij de Javanen en de feestmaaltijden op nawta's (gemeenschapsfeesten) bij de Hindostanen, zouden ertoe geleid kunnen hebben dat de mensen van de andere cultuurgroepen meer werden betrokken bij de cultuur en vooral eetgewoonten van deze mensen. De meer westerse cultuurgewoonten werden al van oudsher via de op het Westen georiënteerde instellingen en media (scholen, kranten, radio en televisie) al genoeg verspreid. De laatste jaren zien wij een toename van de op Azië georiënteerde media. Sommige zijn ook bijna 24 uur in de lucht en het begint er bijna op te lijken alsof men een achterstand probeert in te halen met de basisgedachte "wat de overheid niet voor ons heeft gedaan, doen wij nu zelf". Het toenemende aantal tempels en moskeeën spreekt ook voor zich en het aantal religieuze dagen wordt steeds groter. Dit ontwikkelingsmodel is bekend in de culturele antropologie, en het duurt soms totdat het punt van verzadiging is bereikt. Wat wel een wetenschappelijk onderzoek waard, is de ontstaansgeschiedenis van warungs en rotishops. Hebben deze grote feestmaaltijden er ook niet voor gezorgd dat bepaalde gerechten veel bekendheid kregen bij de mensen van de andere cultuurgroepen? Hebben zij niet de basis gelegd voor de warungs en rotishops (deze twee begrippen zijn zo ingeburgerd in onze samenleving, dat niemand ze nooit meer durft te vertalen). Op al dit soort grote feesten is iedereen van de buurt welkom en iedereen mag gratis eten zo veel men kan. De opmerking die wordt gemaakt tegen vrouwen, en natuurlijk ook tegen mannen, die altijd om een roti of een bami vragen, en meer bedoeld om ze te plagen als men blut is: dat alleen Surinaamse vrouwen van Aziatische afkomst je uitnodigen om thuis bij ze te komen eten …(en dan gaat het verder en misschien voor sommigen minder leuk) en alle andere Surinamers dringen zich bij deze vrouwen op, om thuis bij ze te komen eten en als ze klaar zijn met eten, willen ze ook nog een portie meenemen naar huis voor de zielige thuisblijvers. Het laatste is blijkbaar ontstaan vanwege het aandringen van de Aziatische gastvrouwen bij de genodigden, om steeds meer te eten en natuurlijk ook vanwege de overvloed aan eten op zulke feesten.
Aan u allen "Ied Mubarak" (spreek uit als Moebarek, met een doffe "e" klank).
Bron: dwt/2002